Melktert en kelkiewyn

Oorspronkelijke auteur: 
Anna M. Louw
Oorspronkelijke titel: 
Kroniek van Perdepoort
Vertaler: 
Rob van der Veer

Wat doe je als vertaler met dat soort woorden, melktert en kelkiewyn? Ik heb altijd beseft dat Afrikaners en Nederlanders elkaars taal met een zekere verwondering bekijken, om het maar zacht uit te drukken. Afrikaners horen in het Nederlands een hooghartigheid die er niet in zit en voor Nederlanders heeft het Afrikaans een aaibaarheidsfactor die op een valse perceptie berust. Ikzelf heb van meet af aan besloten daar niet in mee te gaan en dus ook zo min mogelijk ‘onvertaalbare’ Afrikaanse woorden in mijn vertaling te laten staan.

Introductie: 

In Kroniek van Perdepoort van Anna M. Louw is Letta, een van de personages, een ware kunstenares in het bakken van melkterte, in Zuid-Afrikaeen overbekende en overheerlijke lekkernij. Haar ma het altyd gesê: “Letta se melktert...” die uitdrukking iets tussen trots en ontsag. Of dalk net om haar aan te moedig. Voor de familiebijeenkomst na de herbegrafenis van Koos Lotriet en zijn vrouw bakt Letta er een heel stel.

En wanneer er bij de begrafenis van Fielies, een van de bruinmense uit het boek, een impasse ontstaat omdat de bewoners van Ertmanstasie niet weten hoe ze de ceremonie moeten afronden, wordt de kleine Rislyntjie door haar grootmoeder naar voren geduwd om iets te zingen. Die klimmeidjie bring sulke mooi gesangetjies van die skool af huis toe, sy kan so wonderlik onthou. En vervolgens begint Rislyntjie te zingen, met ’n stemmetjie so helder soos dié van ’n kelkiewyn.

Vertaling: 

Wat doe je als vertaler met dat soort woorden, melktert en kelkiewyn? Ik heb altijd beseft dat Afrikaners en Nederlanders elkaars taal met een zekere verwondering bekijken, om het maar zacht uit te drukken. Afrikaners horen in het Nederlands een hooghartigheid die er niet in zit en voor Nederlanders heeft het Afrikaans een aaibaarheidsfactor die op een valse perceptie berust. Ikzelf heb van meet af aan besloten daar niet in mee te gaan en dus ook zo min mogelijk ‘onvertaalbare’ Afrikaanse woorden in mijn vertaling te laten staan. Natuurlijk kan ik melktert vertalen met ‘melktaart’, maar dan hou ik een woord in mijn tekst dat voor Nederlanders een hoogst curieus woordbeeld heeft, net zoals wanneer ik het Afrikaanse melktert zou laten staan. De Nederlandse lezer blijft er telkens even aan hangen, iets wat de Afrikaanse lezer niet overkomt. Kelkiewyn laten staan is voor mij eveneens geen optie, want ook dan stopt de Nederlandse lezer even met lezen, dit keer om dat fraaie woord te ontraadselen – een vogel waarvan de roep klinkt als een aangetinkelde wijnkelk. Ontzeg ik de Nederlandse lezer daarmee een deel van zijn leesgenot? Ja, zeggen sommigen; nee, zeg ik, ik ontneem hem misschien alleen een toeristische route die ook in de brontekst ontbreekt.

In de vertaalwetenschap spreekt men in dit soort gevallen van exotiseren of naturaliseren. Bij exotiseren breng je in de Nederlandse tekst als het ware een ‘exotisch’ element in, bij naturaliseren verwerk je een in de brontekst onopvallend begrip onopvallend in je vertaling. Ooms en tannies, geen enkele Afrikaanse lezer kijkt ervan op, maar de Nederlandse lezer denkt: zijn al die mensen dan familie van elkaar? Sommige vertalers poetsen die ‘familieband’ weg, andere laten hem staan als verwijzing naar de Afrikaner omgangsvormen. In Kroniek van Perdepoort krijgt de Nederlandse lezer te maken met ‘vlaaien’ en een ‘nachtegaal’. Acceptabele ingreep of onduldbare aanpassing? Toen ik na lang wikken en wegen voor deze oplossingen koos, hoorde ik in mijn achterhoofd een koor van boze stemmen. ’n Melktert is mos nie ’n vlaai nie. Wat gaan om in díe malkop Hollander? En daarmee raak ik weer aan een heel ander thema, de angst van de vertaler voor de tweetalige lezer...

Reflectie: 

Anna M. LouwIntussen ben ik ook nog niet uitgedubd over fraaitjies, dat ik tegenkwam in Kroniek van Perdepoort: “Vertel my iets oor hom,” het die junior prokureursvrou fraaitjies by Mevrou gepleit, “hy’s mos glo een van die distrik se legendes?” Tot voor kort stond fraaitjies in de vertaling weergegeven als ‘angstvallig beleefd’, wat eigenlijk een omschrijving is, een verklarende inkleuring. Nu ik een paar keer fraaitjies ben tegengekomen in een andere context, weet ik dat ik dichter bij de ware betekenis kan blijven. De vrouw van de jonge advocaat gooit tegenover de humeurige domineesvrouw al haar charmes in de strijd, ze wil haar voor zich winnen, maar niet door opdringerig te zijn. Via ‘charmes’ en ‘charmant’ kwam ik daarom uit bij ‘lieftallig’, gesteund door wat Van Dale als voorbeeld opvoert: ‘zij kon zo lieftallig smeken.’

Om weer terug te komen bij het naturaliseren of exotiseren: ook de naam Anna M. Louw, schrijfster van Kroniek van Perdepoort, is aangepakt. In Nederland gaat ze Anna Louw heten. Op de eerste plaats omdat die tussenletter hier wordt ervaren als te ‘gewichtig’ en op de tweede plaats omdat bijvoorbeeld André P. Brink in Nederland ook André Brink heet. Acceptabele ingreep of onduldbare aanpassing? Ik hoor het graag van jullie.

 

Rob van der Veer is al sinds het begin van de jaren tachtig actief als vertaler van voornamelijk literair werk. Hij heeft romans vertaald van onder meer André Brink, John Banville en Nicole Krauss. Op de weblog Boekvertalers.nl vertelt hij over zijn vertaling van André P. Brinks autobiografie A Fork in the Road /'n Vurk in die pad.

 

Aanvulling

Nadat me een paar Facebook-reacties waren doorgestuurd over mijn vertaling van melktert, heb ik nog een tijdje zitten nadenken. Aanvankelijk wilde ik toch vasthouden aan mijn vertaling ‘vlaai’, maar vervolgens arriveerden de drukproeven van Kroniek van Perdepoort en stuitte ik op een probleem waarvan ik me eigenlijk wel bewust was, maar dat ik al die tijd had verdrongen. Op een gegeven moment gaat Kolie ervandoor met onder elke arm een vlaai vastgeknepen. Ik besefte dat dat niet kon. Een vlaai heeft een te vloeibare vulling. Op die manier weglopen met een vlaai onder je arm levert een enorme knoeiboel op, zodat Kolie zijn daad nooit ongemerkt had kunnen plegen. ‘Vlaai’ moest er dus toch uit. Weliswaar staat het product ‘vlaa’ of ‘vlaaye’ al in rond 1700 omschreven als ‘zekere melktaart’, maar vasthouden aan dat woord leek me toch te dogmatisch. Eerst koos ik voor ‘cake’, maar dat vond ik uiteindelijk iets te bangelijk. ‘Melktaart’ was voor mij geen optie, omdat de gemiddelde Nederlander bij een melktaart zich iets voorstelt waaruit de melk wegvloeit. De enige oplossing was voor mij tóch het gebruik van melktert, met een omschrijving ervan in de verklarende woordenlijst.

En zo is de eer van de Afrikaanse gebakskunst gered en heb ik zelf weer eens geleerd dat de praktijk je soms dwingt van je hooggestemde principes af te wijken. Inmiddels had iemand me aangeboden een melktert voor me te bakken, en misschien is dat voor mij het allerlaatste duwtje geweest. Ik zal niet de eerste zijn die zich laat ompraten door zijn eigen gulzigheid.

En nou is ek klaargewroeg. Rest me nog om iedereen te bedanken voor de getoonde belangstelling en te hopen dat Kroniek van Perdepoort én de melktert kunnen beginnen aan een welverdiende zegetocht ‘oor die ganske aarde’.