Met een groot gevoel van genot

Oorspronkelijke auteur: 
Karel Schoeman
Oorspronkelijke titel: 
Hierdie lewe
Vertaler: 
Rob van der Veer

door Rob van der Veer

 

Hierdie lewe van Karel Schoeman verscheen in 1993 als eerste titel uit zijn trilogie Stemme, waarvan de andere delen, Die uur van die engel en Verliesfontein, werden gepubliceerd in 1995 en in 1998. In 2005 verscheen de Engelse vertaling, This life. De vertaalster, Elsa Silke, werd door het Suid-Afrikaanse Vertalersinstituut voor haar vertaling bekroond met de prijs voor de beste prozavertaling. In 2014 verschijnt de Nederlandse vertaling van Hierdie lewe bij uitgeverij Brevier, onder de titel Dit leven.

 

Hierdie lewe speelt zich grotendeels af in de negentiende eeuw. Oppervlakkig gezien is het een verhaal over een verdwijning, maar de achterliggende thema’s zijn oneindig groter. Ik vond het een meeslepende en verbluffende vertelling, en of dat meeslepende en verbluffende nu gelegen is in het verhaal of in de manier waarop het wordt verteld, daar ben ik nog niet uit; duidelijk is dat vorm en inhoud van deze roman onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat de stijl die Schoeman hanteert uniek is. En dus is iedere aantasting uit den boze, om het maar heel schoolmeesterachtig te zeggen. Ik vergelijk het vertalen van romans weleens met het restaureren van schilderijen: het is zaak om overal zoveel mogelijk af te blijven; als je een Mondriaan restaureert, zult je er geen moment over piekeren om de kleuren van zijn vlakken aan te passen aan je eigen smaak.

De taal waarin Hierdie lewe is geschreven zou je kunnen omschrijven als een formele spreektaal, met een geheel eigen cadans. Het zijn lange zinnen, waarin af en toe woorden voorkomen die in het Afrikaans van tegenwoordig niet meer worden gebezigd, en daarmee doel ik niet op namen of gebruiken uit het verre verleden, maar woorden als ‘krijten’ en ‘vertoornd’, die sterk wijzen op het feit dat het Nederlands letterlijk Schoemans moedertaal is. In de langgerekte monoloog is het logisch dat er soms woordherhalingen optreden. ‘Ek wou gaan lê het om ’n bietjie te rus, maar nadat die vreemde man gekom het, was ek onrustig, en die ou herinnerings het so baie dinge in my gaande gemaak dat ek nie meer rus kon vind nie’ of ‘Die winter ná my siekte het ons weer almal afgegaan Karoo toe soos gewoonlik, en toe ons daardie winter terugkom, het Miss le Roux met ons saamgekom.’ Ze versterken de momentane aard van de tekst: de tekst wordt als het ware bedacht op het moment dat hij wordt uitgesproken, en is dus niet door de schrijver te ‘corrigeren’. Sommige vertalers zijn geneigd dit soort woordherhalingen weg te poetsen als overbodig, omdat ze ervan uitgaan dat het verschrijvingen van de schrijver zijn. Anderen vinden dat je daar terughoudend mee moet zijn, zeker in literatuur.

Het spreektalige karakter uit zich ook in de zinsbouw. Soms ‘plakt’ Schoeman twee zinnen aan elkaar, terwijl hij ook gewoon een nieuwe zin had kunnen schrijven. ‘Die bure het na hom help soek en niks gevind nie, en uiteindelik moes hulle die soektog laat vaar en terugkeer na hul eie verpligtings, en ons het agtergebly in die swygende huis, sonder om te weet of selfs te kan raai wat gebeur het.’ In het laatste deel is de zin anders opgebouwd dan in het voorgaande deel, waarin de woordvolgorde is: gezegde, onderwerp. In het laatste deel is de woordvolgorde: onderwerp, gezegde. Deze vorm van inversie, voorafgegaan aan door het woordje ‘en’, drukt het tempo van de zin en daardoor wordt de lezer gedwongen zich aan te passen aan de ‘sleeptong’ van de vertelster, iets wat Schoeman bewust beoogt. Een zin als de volgende is ‘schrijftalig’ gezien misschien niet correct, maar past perfect in de stijl die Schoeman voor zijn roman heeft gekozen. ‘Waarom onthou ek nou die buitekamer met die karige meubels waar Meester gebly het, en hoe ek as klein dogtertjie soms vir hom gaan kuier het, en hoe plegtig hy my dan verwelkom, asof dit ’n grootmens is wat hom kom besoek?’ Het niet correcte zit in ‘onthou ek... die buitekamer en hoe’. Ik heb al die elementen overgenomen. Schoeman lezen is lange zinnen lezen, lange en bijna – ‘schier’ – hypnotiserende zinnen, geschreven om de lezer in betovering te brengen.

Hoewel de taal van Hierdie lewe iets negentiende-eeuws heeft, ís het geen negentiende-eeuws Afrikaans; hoewel sepiakleurig, is het wel degelijk Afrikaans van deze tijd. Het is dan ook niet nodig er écht negentiende-eeuws Nederlands van te maken, in de trant van een citaat uit een brief in het boek: ‘opdat zij, de ondergetekende lidmaten dezer Gemeente, hunne wenschen aan de daartoe benoemde overheden kenbaar gemaakt hebbende, overeenkomstig hun ootmoedig verzoek...’  Waarom ik een woord als ‘agting’ heb vertaald met ‘achting’ en niet met ‘respect’, zal duidelijk zijn: het Afrikaans biedt Schoeman zelf ook de keuze tussen ‘agting’ en ‘respek’. Het bijna hoofs-negentiende-eeuwse karakter van Schoemans taal manifesteert zich in de manier waarop bepaalde zinnen beginnen met een aanloopje: ‘Maar eenkeer het dit gebeur dat ek onverwags ingeroep word toe daar ’n brief geskrywe moes word en die mans daarmee sukkel.’ Of: ‘Ja, dit was in hierdie tyd dat Vader haar die goue ketting present gegee het.’ Aan de vorm van dat soort zinnen kun je niet tornen zonder afbreuk te doen aan hun werking. Je weet immers wat voor effect ze hebben op de Afrikaanse lezer: de Nederlandse lezer moet hetzelfde ondergaan. Het formele karakter van een dergelijke stijl kun je in het Nederlands ook benadrukken door strak vast te houden aan de woordvolgorde binnen een vervoegd werkwoord; dus niet ‘het was wat ik gedacht had’, maar ‘het was wat ik had gedacht’.

Lastig te vertalen uit het Afrikaans zijn altijd de geografische aspecten. In Nederland, een vrijwel geheel vlak land, bestaan geen ‘eskarpe’, en dus moet je eerst uitzoeken wat het zijn en kom je vervolgens te staan voor de vraag hoe je het vertaalt. En dan heb je nog de ‘rante’ en ‘rantjies’, en daarnaast is er sprake van ‘koppe’ en ‘heuwels’, om maar te zwijgen van ‘berge’ en ‘rûens’ en ‘klove’. Een ‘kloof’ is soms een ‘kloof’ en soms een ‘vallei’, maar wanneer? Het moet voor Zuid-Afrikanen onbegrijpelijk zijn dat wij over zo’n beperkte alpine woordenschat beschikken en dat voor ons een heuvel algauw een berg is. Een ander punt is wat je moet doen met historische feiten die voor de Afrikaanse lezer een hele wereld oproepen: ‘en vir sommiges het hy in daardie tyd te goed met die Regering saamgewerk en vir ander was hy weer te vriendelik gewees teenoor die kommando’s wat ons op die plaas besoek’ of ‘want dit was iets buite my, daardie helder gekronkel van goud, flitsend in die son deur die vaal land’. Weet de gemiddelde Nederlander wat ‘commando’s’ precies zijn en waartoe de vondst van goudvoorraden heeft geleid? Moet je dat soort dingen verklaren met een noot of ga je ervan uit dat er voldoende perifere informatie in de tekst staat om de lezer voor een niet al te grote onduidelijkheid te plaatsen? Voetnoten zijn niet populair is Nederland, zeker niet in romans. In de zuidelijke landen van Europa wordt daar iets anders over gedacht, blijkens een artikel in het vertaalblad Filter. Wanneer je al in de eerste alinea het woord ‘misvloer’ tegenkomt, vraag je je ook af wat je daarvan zult maken. Aan een al te omstandige verklaring blijft de Nederlandse lezer vasthaken, maar je kunt zo’n vloer niet wegpoetsen. Bij dit soort problemen is het handig om een klankbord te hebben van een ervaren collega-vertaler: iedere vorm van discussie scherpt je inzichten en opvattingen aan.

Elsa Silke heeft in haar artikel over het vertalen van Hierdie lewe in het Engels al iets gezegd over het gebruik van het historisch presens in het Afrikaans en de mogelijkheden om dat in het Engels weer te geven. In Hierdie lewe is sprake van afwisselend presens, historisch presens en verleden tijd. Op sommige plaatsen is het lastig om te bepalen of de gebruikte tijd een presens of een historisch presens is, vooral wanneer bepaalde herinneringen als het ware hérbeleefd worden; wanneer je op die plaatsen in het Nederlands dan overstapt naar de tegenwoordige tijd, ontstaat er een sterker geïsoleerde herinnering dan in het Afrikaans en moet je wel heel zeker zijn dat dat inderdaad Schoemans bedoeling is geweest. Een afwisselend gebruik van de tegenwoordige en de verleden tijd werkt anders in het Nederlands dan in het Afrikaans; wanneer zich een lange, intense herinnering voordeed, kon ik in mijn vertaling terugspringen naar de tegenwoordige tijd, maar bij heel korte herinneringen leek dat voor de lezer een vertalersfout op te leveren. Waar mogelijk heb ik ook gebruik gemaakt van de voltooid tegenwoordige tijd, vooral wanneer het ging om iets dat over een langere tijd gebeurde: ‘Moeder heeft nóóit over het verleden gesproken’ in plaats van ‘Moeder sprak nóóit over het verleden’.

De rust waarmee Schoeman zijn zinnen opbouwt leidt tevens tot een ritmisch Afrikaans. Er zit een mooie cadans in zijn zinnen; soms is dat schrijfkunst en soms is dat een kwestie van de grammatica van het Afrikaans. ‘Ek het lank in die kombuis gebly: ’ heeft een klemtoon op het laatste woord. Wanneer je om verhaaltechnische reden ‘het... gebly’ moet vertalen met ‘bleef’, krijg je ‘Ik bleef lang in de keuken:’ en daarmee verandert de inhoud van de mededeling een beetje en ook het ritme krijgt iets lelijks. Natuurlijk kun je je afvragen of het belangrijk is om lang op zo’n zinnetje te zitten staren. Maar ja, als het ritme in het Afrikaans zélf een grote rol speelt... In ‘ná Stienie se terugkeer, sou ek wil sê, het ek nooit moeilikheid met haar gehad nie; na haar terugkeer het sy haar plek teenoor my geken’ ligt de klemtoon op de laatste lettergreep van het laatste woord van de zin, waardoor de mededeling extra pregnant wordt. En eigenlijk moet je dat ook in het Nederlands meenemen. ‘Fronsend en verbete, met inkvlekke op my vingers, het ek oor die gevlekte papier gebuk’ wordt dan ‘Fronsend en verbeten, met inktvlekken op mijn vingers, zat ik over het gevlekte papier gebukt’. En nadat ik ‘oopoog en wakker’ eerst met ‘met open ogen en wakker’ had vertaald, werd ik zelf wakker en maakte er ‘wakker en met open ogen’ van. Lukt dat nou altijd, dat overbrengen van ritme? Nee, ik vrees van niet. Je kunt alleen maar hopen dat je eigen taalgebruik een acceptabel ritme oplevert. En helaas kost het zoeken naar de juiste cadans, zelfs als het resultaat onbevredigend is, behoorlijk wat tijd; in het algemeen hangt het dan ook sterk af van de werktijd die je is geboden of je er veel aandacht aan kunt besteden.

Iets wat Elsa Silke weinig en mij wat meer hoofdbrekens bezorgde, was het woordje ‘waar’. In ‘Ons het in die donker verdwaal en op die plaas uitgekom waar Sofie se mense daardie winter gestaan het, net duskant die kloof van ons eie legplek’ is het woord ‘waar’ letterlijk over te nemen; maar bij ‘Hulle kom, hulle kom, sê Jacomyn rustig met weggedraaide kop waar sy met klippies en gruis sit en speel terwyl sy wag’ en ‘In die oggend wanneer ek aangetrek het, was dit my gewoonte om eers na Sofie se kamer te gaan om vir haar môre te sê en by haar te bly waar sy besig was, totdat Moeder my wegroep om in die huis te kom help’ en ‘Mens sou skaars so dink as mens my lewe in oënskou neem; maar tog, sonder dat ek kan verduidelik wat ek bedoel, sou ek wil sê dat as ek ooit die voorreg van ’n keuse gehad het, dit daar moet gewees het waar ek alleen in die hoek van die donker kombuis gesit het en blindelings en onwetend my eie toekoms bepaal’ en ‘Ek kan dit nou so maklik in ’n paar woorde saamvat, daardie laaste maande of weke van haar lewe, dog waar ek haar swygende sterwe moes begelei, was dit ’n eindeloos uitgerekte heengaan’ is het meer dan een plaatsbepaling en krijgt het een temporeel karakter, zeker in een zin als ‘Die bure het vir my jammer gevoel waar ek so alleen agtergelaat is: hulle het om my rondgedraai met hul meegevoel en klein liefdegawes, met woorde van vertroosting en pogings om te help’. Soms heb ik het vertaald met ‘toen’ of ‘op het moment dat’ of ‘terwijl’. Dit gebruik van ‘waar’ lijkt mij voort te komen uit het Engels, vandaar dat Elsa het wat makkelijker letterlijk kon overnemen.

Elsa en ik hebben soms dezelfde en soms verschillende hindernissen moeten nemen, maar wanneer zij zegt: ‘The poetic, lyrical quality of Schoeman’s prose stems largely from the rhythm and cadence of his long sentences, strung together by means of dashes, commas, colons and semicolons,’ dan weet ik dat we allebei hetzelfde uitgangspunt hebben gehad, namelijk het willen overbrengen van die ‘poetic, lyrical quality’. En wat we daarnaast met elkaar delen is het gevoel waarmee we aan onze vertaling hebben gewerkt: zij noemt het ‘an intensely rewarding experience’, voor mij was het een gevoel van groot genot.